Huidklachten bij immunotherapie

Immunotherapie met checkpointremmers haalt de rem van je afweer. Je afweercellen vallen de kanker dan weer aan. Voorbeelden zijn ipilimumab, nivolumab, pembrolizumab en atezolizumab.

Twee tekeningen van een afweercel en een kankercel: links houdt een rem de afweercel tegen, rechts haalt het medicijn de rem weg en valt de afweercel de kankercel aan

Je afweer kan daarbij ook gezond weefsel raken, zoals je huid, je mond en je nagels. Zo'n bijwerking heet een immuungerelateerde bijwerking. Huidklachten zijn de meest voorkomende bijwerking: ongeveer een derde tot de helft van de mensen krijgt ze. De meeste zijn mild, en meestal kan de immunotherapie gewoon doorgaan.

Op deze pagina lees je welke huidklachten kunnen ontstaan, wanneer ze komen, wat je zelf kunt doen en wanneer je je behandelteam belt.

Folder om te downloaden en te printen:
Folder Huidklachten bij immunotherapie

Hoe werkt immunotherapie?

Afweercellen hebben remmen. Die remmen zorgen ervoor dat de afweer je eigen lichaam niet aanvalt. Kankercellen kunnen deze remmen gebruiken om zich te verstoppen voor de afweer. Checkpointremmers blokkeren zulke remmen, zoals PD-1, PD-L1 en CTLA-4. Daardoor herkent je afweer de kankercellen weer en valt die ze aan.

Checkpointremmers worden gebruikt bij verschillende soorten kanker, zoals longkanker, nierkanker, melanoom en blaaskanker. Omdat je afweer actiever wordt, kunnen ook andere organen ontstoken raken, zoals de darm, de longen of de lever. Op deze pagina gaat het over de huid, de mond, het haar en de nagels.

Welke huidklachten kun je krijgen?

  • Jeuk, soms zonder dat er iets aan je huid te zien is. Jeuk kan het eerste teken zijn van een huidreactie. Lees meer op de pagina Jeuk.
  • Rode vlekjes en bultjes, vaak met jeuk, vooral op de romp, de bovenarmen en de bovenbenen. Samen met jeuk komt dit het meest voor.
  • Eczeem: een rode, schilferende, soms natte huid. Bij immunotherapie is eczeem vaak uitgebreider en hardnekkiger dan bij andere behandelingen.
  • Plekken die lijken op psoriasis: rood, scherp begrensd en schilferend, soms ook op de hoofdhuid en de nagels. Had je al psoriasis, dan kan die erger worden.
  • Plekken die lijken op lichen planus: paarsrode, jeukende bultjes. Dit heet een lichenoïde reactie.
  • Witte plekken die lijken op vitiligo, vooral bij de behandeling van melanoom.
  • Kale plekken in het haar, dunner haar of haar dat wit wordt.
  • Blaren. Dat is zeldzaam: ongeveer 1 op de 100 mensen krijgt ze, vaker op oudere leeftijd. Meestal gaat er jeuk aan vooraf of mee samen.

Lichenoïd betekent: lijkend op lichen planus. Artsen gebruiken zulke woorden omdat de reactie op die huidziekte lijkt, zonder er precies hetzelfde als te zijn.

Heel zelden ontstaat een ernstige reactie met blaren of loslatende huid. Daarbij kunnen ook de mond, de ogen en de geslachtsdelen meedoen, en je kunt koorts krijgen.

Witte plekken en haarveranderingen

Witte plekken ontstaan bij tot een kwart van de mensen met immunotherapie, vaker bij de behandeling van melanoom. De plekken kunnen samenvloeien tot grotere vlekken. Soms worden ook de wimpers, de wenkbrauwen of het hoofdhaar wit. De plekken zijn onschuldig. Ze gaan vaak niet meer weg. Ook wit geworden haar blijft vaak wit. De immunotherapie hoeft er meestal niet voor te stoppen. Lees meer op de pagina Kleurveranderingen.

Je haar kan dunner worden of je kunt kale plekken krijgen, vaak pas maanden na de start. Verven kan bij immunotherapie als je dat gewend bent en je hoofdhuid niet droog, jeukend of geïrriteerd is. Doe altijd eerst een allergietest. Lees meer op de pagina Haaruitval en haarveranderingen.

Mond en nagels

Een droge mond is de meest voorkomende mondklacht bij immunotherapie, soms samen met droge ogen. Ook een lichenoïde reactie in de mond komt voor, soms met pijnlijke wondjes. Soms ontstaan blaren in de mond.

Mondklachten beginnen gemiddeld drie maanden na de start. De meeste ontstaan in het eerste jaar, soms pas later. Lees meer op de pagina Ontsteking van het mondslijmvlies.

Je nagels kunnen kleine putjes, ribbels en kloofjes krijgen, soms met gele verkleuring of verdikking onder de nagel. Ze lijken dan op nagels bij psoriasis of lichen planus. Dit ontstaat meestal maanden na de start, samen met of na een huiduitslag. Lees meer op de pagina Nagelveranderingen.

Wanneer ontstaan de klachten?

Jeuk en rode vlekjes komen vaak in de eerste weken. Een uitslag begint meestal drie tot zes weken na de start. De meeste huidklachten ontstaan in de eerste twaalf weken.

Andere reacties komen later. Witte plekken ontstaan soms na enkele weken, bij de helft van de mensen pas na acht maanden of later. Blaren kunnen weken tot maanden na de start ontstaan.

Huidklachten kunnen ook nog beginnen als je met de immunotherapie bent gestopt, soms pas maanden later. Vertel daarom elke arts die je behandelt dat je immunotherapie hebt gehad.

Wat kun je zelf doen?

  • Heb je een huidziekte, zoals psoriasis of eczeem? Vertel dat vóór de start aan je behandelteam. Zo'n huidziekte kan tijdens immunotherapie opvlammen.
  • Smeer je huid elke dag in met een crème of zalf zonder parfum, het liefst direct na het wassen.
  • Douche hooguit één keer per dag, kort (hooguit vijf minuten) en lauw, met een mild reinigingsmiddel zonder parfum. Dep je huid droog. Draag kleding van katoen.
  • Krab niet en houd je nagels kort. Koel je huid bij jeuk, bijvoorbeeld met een koud kompres.
  • Voorkom kleine beschadigingen van je huid. Op een beschadigde plek kunnen psoriasis, lichenoïde plekken of vitiligo ontstaan of erger worden.
  • Bescherm je huid tegen de zon, met een breedspectrum zonnebrandmiddel met minimaal factor 30, bedekkende kleding en schaduw. Witte plekken verbranden snel.
  • Laat vóór de start je mond en gebit nakijken. Poets je tanden een paar keer per dag met een zachte tandenborstel.
  • Meld nieuwe of erger wordende huidklachten vroeg, ook als ze klein lijken.
  • Meld een uitslag eerst aan je behandelteam, voordat je zelf iets gaat smeren.
  • Laat je niet leiden door het woord natuurlijk op verzorgingsproducten: zulke producten zijn niet veiliger of werkzamer dan gewone producten.

Meer over douchen en smeren lees je op de pagina's Droge huid en Welke crème wanneer.

Wat doet je behandelteam?

De dermatoloog en de oncoloog behandelen huidklachten bij immunotherapie samen. Soms verwijst je arts je naar een dermatoloog. Bij milde klachten krijg je een crème of zalf die de ontsteking remt, meestal met een corticosteroïd. Tegen jeuk komen daar soms tabletten bij, zoals een antihistaminicum.

Bij ernstige of hardnekkige klachten kan de arts tabletten voorschrijven, zoals prednison of een ander middel dat de ontsteking remt. Soms helpt lichttherapie.

Meestal kan de immunotherapie doorgaan. Bij ernstige klachten pauzeert je team de behandeling soms, of stopt het ermee. Bij blaren of loslatende huid kan het nodig zijn de immunotherapie direct te onderbreken.

Witte plekken hoeven meestal niet behandeld te worden. Bescherm ze goed tegen de zon, want huid zonder pigment verbrandt snel.

Bij de pedicure, kapper of huidtherapeut

Vertel je pedicure, kapper, schoonheidsspecialist of huidtherapeut dat je immunotherapie krijgt of hebt gehad. Ze werken alleen op een gezonde huid. Zien ze een uitslag, blaren of een andere verandering, dan schrijven ze op wat ze zien en raden ze je aan je behandelteam te bellen. De kapper stuurt je door naar je arts bij kale plekken met roodheid of schilfering van de hoofdhuid.

Wanneer bel je je behandelteam?

Bel direct je behandelteam bij:

  • blaren, of huid die loslaat
  • klachten van je mond, je ogen of je geslachtsdelen, zoals pijn, wondjes of blaren
  • koorts of koude rillingen, of als je je ziek voelt. Krijg je ook chemotherapie, bel dan direct het spoednummer van je behandelteam.
  • uitslag die snel uitbreidt
  • een nieuwe uitslag in de eerste weken na de start

Neem ook contact op bij:

  • jeuk die je slaap verstoort, of jeuk of uitslag die niet beter wordt met smeren
  • kale plekken in je haar, of plekken met roodheid of schilfering op je hoofdhuid
  • veranderingen aan je nagels
  • witte plekken of andere kleurveranderingen die je zorgen geven
  • een uitslag die later in de behandeling ontstaat, ook als die licht is
  • andere nieuwe klachten, zoals diarree, hoesten, benauwdheid of erge moeheid. Immunotherapie kan ook andere organen raken.

Tijdens de behandeling is je behandelteam je eerste aanspreekpunt. Buiten kantoortijd bel je het nummer dat je van het ziekenhuis hebt gekregen. Is je behandeling afgerond, bel dan je huisarts en vertel dat je immunotherapie hebt gehad.

Folders om te downloaden

Dr. Annemie Galimont schreef bij dit onderwerp een folder. De andere folders hieronder passen erbij. Je mag ze gratis downloaden, printen en meenemen naar je behandelteam.

Bronnen: Haanen J, et al. Management of toxicities from immunotherapy: ESMO Clinical Practice Guideline. Ann Oncol 2022;33:1217-1238. Fattore D, et al. Prevention and management of cutaneous immune-related adverse events: EADV Task Force statement. J Eur Acad Dermatol Venereol 2026;40:739-759. Folder Huidklachten bij immunotherapie (Huidopleiding, 2026). E-book Oncologische huidzorg ontcijferd, hoofdstuk 4 en 7 (Huidopleiding, 2026). E-book Oncologische huid- en voetzorg (versie 1.1), Toolkit OHZ compact en de folders Jeuk, Nagelveranderingen, Kleurveranderingen en Haaruitval en haarveranderingen (Huidopleiding, 2026). CTCAE versie 6.0.

Laatst inhoudelijk gecontroleerd: oktober 2026, door dr. Annemie Galimont, dermatoloog.